Bij de grote vijver was het al vrij mistig en naarmate ik het pad omhoog verder volgde werd mijn wereld kleiner. Na een paar honder meter kon ik de befaamde “Wasserspiele” van het Kasselse Wilhelmshöhepark alleen nog maar horen. Ironisch: duizend kilometer gereisd om een stukje werelderfgoed te zien en als je er eenmaal bent is het zicht nihil. Toen ik tenslotte op het terras boven de waterlopen was aangekomen, was de wereld gekrompen tot een open plek van twintig meter. Daarvoorbij een grijs niemandsland.

Vanuit de mist hoorde ik opeens een stem. “Driehonderd jaar of drieduizend jaar, wat maakt het uit? Het koe-ogige kreng heeft me erin geluisd.” Ik kijk om me heen: geen mens te zien, overigens geen wonder in die mist. Aarzelend vraag ik: “Is daar iemand?”. Een knerpend geluid, uit het niets duikt een fietser op die mij zwijgend passeert en weer in het niets verdwijnt. Dan hoor ik de stem opnieuw: “Is de laatste Olympiër niet meer dan iemand?” Verbeeld ik het me, of klinkt er iets van sarcasme door?  “De Olympus is hier tweeduizend kilometer vandaan”, zeg ik “en van de Olympiërs is al tweeduizend jaar niets vernomen”.  “Ah, zijn we al zover gekomen,” hoor ik de stem verzuchten. “Ik, die een slang wurgde in mijn wieg, ben ingehaald door de tijd. Toen mijn halfzuster Athene mij bij mijn vaders echtgenote aan de borst legde, stootte die mij weg en de melk spatte zo hoog op dat hij nu nog een spoor is aan het hemelgewelf. Mijn leven lang heeft Hera mij vervolgd. Twaalf onmogelijke werken moest ik volbrengen, dan zou me rust en onsterfelijkheid gegund zijn.”

Inmiddels was me duidelijk geworden wie hier aan het woord was. Boven op de hoogste heuvel in het park staat op de top van een enorme piramide een beeld van de rustende Herakles. Al zo’n drie eeuwen leunt hij op zijn knots en kijkt uit over het hart van Duitsland. “Mijn hele leven stond in het teken van het bovenmenselijke” bevestigt de stem mijn vermoeden. “Een jaar lang joeg ik de hinde van Kerinya na en het scheelde geen haar of ik had voor eeuwig het hemelgewelf op mijn nek gehad.”

Ik wil mijn gesprek met Herakles graag voortzetten, dus ik probeer hem een beetje uit zijn tent te lokken. “Maar toen je de helhond Cerberus uit de onderwereld haalde heeft Hermes je wel de weg gewezen” zeg ik tegen de onzichtbare stem. “Natuurlijk”, is het prompte antwoord. “Weten wie je kan helpen is de helft van het heldendom. Dat hebben jullie net zo goed door als ik. Generaals winnen oorlogen en worden held genoemd, soldaten halen de kastanjes uit het vuur. Maar ikzelf heb de helhond naar de bovenwereld gesleurd, ikzelf heb de hydra honderd koppen afgehakt, ikzelf heb de Nemeische leeuw gewurgd en gevild.”

“Daar zouden onze superhelden van nu hun hand ook niet voor omdraaien”, riposteer ik. “Ze redden de wereld elke week wel een keertje.” “Koud kunstje”, klinkt het een beetje minachtend terug. “Als je je idolen en hun wapenfeiten uit je eigen fantasie in elkaar knutselt is niets onmogelijk en alles heldhaftig. Je noemt ze Clark Kent of Bruce Wayne en maakt ze zoals je zelf niet bent maar wel zou willen zijn. Je verzint er een nonsenswereld bij en laat ze los op de massa: marketing en Marvel doen de rest.”

De stem zwijgt even. “Ik had alleen een goddelijke vader die me bovenmenselijke kracht gaf en niets deed tegen de wrok van zijn woedende echtgenote” vervolgt hij. “Ik wilde de wereld niet redden maar moest boeten voor mijn eigen drift. Het orakel voorspelde mij onsterfelijkheid, maar eerst moest een dode mij doden. Mijn eigen vrouw zond mij de mantel die mij fataal werd: gedood door het bloed van de verkrachter van wie ik haar gered heb. Toen ik onder helse pijnen mijn eigen brandstapel had gebouwd, durfde niemand hem aan te steken. Uiteindelijk verlosten Zeus’ bliksems mij uit mijn lijden – en dan krijg je dit als onsterfelijkheid.”

Ik zie hoe de nevel langzaam oplost en een gestalte in het grijze niets boven me zichtbaar wordt. Verloren staart hij in de verte, een kopergroene figuur leunend op een knots die ook een kruk zou kunnen zijn. Wat kan ik zeggen? Dat de superheldenhype ook al weer over zijn top heen is? Dat niemand nog weet wie Hera was? Ik draai me om, terug naar de waterlopen en de vijver beneden. “Ik zal vertellen wie je was en bent.” Heb ik dat gezegd of alleen gedacht? En heeft Herakles daar iets aan?